IJSVOGEL

IJsvogel
Foto Karel Noy

De bij ons voorkomende ijsvogel, Alcedo atthis, is een water minnende vogel uit de familie van ijsvogels.
In de Jufferswaard en langs de beken in het beekdal is de ijsvogel regelmatig te zien.

Het is een opvallende verschijning door zijn afstekende blauwe en oranje kleuren, maar ook een zeer schuwe soort die zich weinig laat zien. De ijsvogel is een kleine vogel met een korte staart en pootjes, een korte nek, korte afgeronde vleugels, een grote kop met grote ogen en een lange, dolkvormige snavel. 

De IJsvogel heeft zijn naam te danken aan zijn ijzerblauwe kleur en niet aan ijs. Waarschijnlijk komt de naam voort uit de foutieve vertaling van Eisenfögel.
IJs is iets waar de vogel slecht tegen kan omdat hij dan niet kan jagen en verhongert. Bovendien kost het warm blijven en opdrogen na een duik ’s winters te veel energie. Winters met meer dan een week flinke vorst zijn slecht voor het ijsvogelbestand.

Verspreiding en habitat

De ijsvogel is voornamelijk te zien bij langzaam stromende wateren als beken en rivieren in het laagland. Hij is te zien in bijna alle waterrijke gebieden, als kanalen, sloten en een enkele keer de oevers van grotere plassen, meren en grindgaten.

De ijsvogel is voor het jagen afhankelijk van wateren die helder en ijsvrij zijn met veel kleine visjes. Het liefst leeft hij in schaduwrijke gebieden, waar de reflectie van het licht hem bij de jacht niet hindert.
De aanwezigheid van geschikte uitkijkplaatsen is van minder groot belang. In de broedtijd leven de vogels voornamelijk in de nabijheid van steile oeverwallen van zand of leem nabij water, waar ze een nesthol in uitgraven. Ook maken ze graag gebruik van zandkluiten van omgewaaide bomen, mits deze dik genoeg zijn.

IJsvogel
Foto Karel Noy

Leefwijze

De ijsvogel heeft een snelle, rechte vlucht, vaak vlak boven het wateroppervlak. Hij kan zo snelheden bereiken van 50 tot 80 kilometer per uur en vliegt dan vaak luid roepend. Van een ijsvogel in vlucht zien we zelden meer dan een blauw-oranje flits.

Het waterdichte en isolerende verenkleed van de ijsvogel bestaat uit korte, dichte veren die ze tot zes keer per dag poetsen en kammen. De ijsvogel neemt regelmatig een bad, vooral ouderdieren baden aan het einde van de periode waarin de jongen in de nestkamer worden gevoerd. Het nest is rond die tijd bevuild met een laag braakballen.
Tijdens het baden duikt de ijsvogel onder water, alsof hij aan het vissen is, om enige seconden in het water te blijven of gelijk weer het water te verlaten en opnieuw te duiken.
De enige ijsvogelsoort die tot in noordelijk Europa voorkomt inclusief Nederland en België, is Alcedo atthis.
De meeste ijsvogels leven in de tropen.

Voedsel en jacht

De ijsvogel is een carnivoor en jaagt voornamelijk op kleine vissen, ook in siervijvers. Daarnaast staan op het dieet amfibieën salamanders, kikkervisjes, kikkers ook insecten als libellen, kevers, waterinsecten en larven en weekdieren als zoetwaterslakken. Ook eten ze garnalen, rivierkreeften en andere kreeftachtigen.
Prooidieren zijn meestal 3 tot 5 cm lang, maximaal 10 cm.
Het dieet beslaat voor zo’n 78% uit vis.

De ijsvogel is vaak te vinden op een vaste uitkijkpost nabij het water, vanwaar hij zijn prooidieren gadeslaat. De ijsvogel zit meestal onbeweeglijk op zijn uitkijkplaats, welke zich zo’n één tot drie meter boven het water bevindt. Een tak die over het water uitsteekt is hiervoor geschikt, maar ook beschaduwde overhangende struiken gebruiken ze hiervoor.

IJsvogel
Foto Karel Noy

Met zijn scherpe ogen kan hij in helder water de precieze positie van zijn prooi bepalen, waarna hij met zijn snavel naar voren op zijn prooi duikt. De prooi bevindt zich meestal niet meer dan 25 cm onder het wateroppervlak.

Als een visje zich laat zien wordt het met een snelle duikvlucht verschalkt. Iedere ijsvogel heeft een aantal favoriete uitkijkplaatsen vanwaar hij duikt. Als de uitkijkplaats te laag is, vliegt hij eerst omhoog waarna hij naar beneden duikt. Ook kan de vogel boven het water bidden. Soms zoeken ze ook buiten het water naar voedsel, zoals in de lucht, hier vangen ze insecten.
Aan de kust jagen ze vanaf een rots, een pier of een paal.

Bij het jagen op vis duikt de ijsvogel bijna loodrecht op zijn prooi, waardoor hij met hoge snelheid het wateroppervlak kan doorbreken. Om deze snelheid te ontwikkelen slaat hij tijdens de duik kort met zijn vleugels. Bij voldoende snelheid kan hij tot een diepte van een meter duiken, maar meestal duikt hij niet meer dan enkele decimeters.

De ijsvogel verlaat direct na de vangstpoging het water. Met enkele slagen van de korte, sterke vleugels kan hij zich uit het water heffen en wegvliegen. Hij vliegt hierna naar een zitplaats, waar hij het visje doodslaat tegen de tak waar hij op zit.
Hierna wordt de prooi in zijn geheel doorgeslikt met de kop eerst. Zo voorkomen ze dat eventuele stekels van de prooi zich vastzetten in de keel en de vogel zouden doen stikken. Mocht de ijsvogel de vis niet met zijn snavel kunnen draaien dan gooien ze deze eerst in de lucht. Onverteerbare delen als graten, schubben en chitineresten braken ze uit in kleine, ovale braakballen.

IJsvogel op jacht
Foto Saxifraga – Luuk Vermeer

Sociaal gedrag

De ijsvogel leeft voornamelijk solitair, in het broedseizoen in paarverband. Een paartje heeft een eigen territorium, dat honderd meter tot een kilometer van een rivieroever kan beslaan.
Het paartje is zeer territoriaal in de broedtijd en tolereert geen andere ijsvogels. Een indringer achtervolgen ze over het water, waarbij de ijsvogel harde kreten slaakt. Soms monden deze aanvallen uit in gevechten, waarbij de vogels elkaar bij de snavels beetpakken en dan in het water vallen.

’s Winters heeft de ijsvogel soms een groter territorium, dat wel vijf kilometer kan beslaan. Het mannetje en vrouwtje leven in deze periode gescheiden van elkaar en zij bewonen allebei een deel van het territorium. Dit verdedigen zij ook, zelfs tegen elkaar, maar minder fanatiek dan tegen vreemde soortgenoten in het broedseizoen. In een groot deel van hun leefgebied zijn ijsvogels standvogels.
In het noorden van het verspreidingsgebied, waar ’s winters de wateren dichtvriezen en de vogel daardoor geen vis kan vangen, trekt hij weg naar ijsvrije gebieden, bijvoorbeeld de kust. Alleen in deze periode kan de ijsvogel in groepen worden waargenomen.
Ook in warmere streken kan de ijsvogel lokaal trekken. Het mannetje trekt over het algemeen later weg dan het vrouwtje. De vogel zoekt het daaropvolgende jaar zijn territorium weer op.

Voortplanting

De ijsvogel broedt meestal twee tot drie keer per jaar. Bij zeer gunstig weer of verlies van een legsel kunnen ze tot vier legsels per jaar produceren. Aan het begin van de paartijd in februari zoekt het mannetje een vrouwtje, meestal hetzelfde vrouwtje als het voorgaande jaar. Hij kan in de paartijd tot drie vrouwtjes bevruchten.

IJsvogels graven een nesttunnel, tot ± 0,5 meter lang, eindigend in een nestkamer in een steile lemige oeverkant of een omgevallen boom.

Na de bouw van het nest volgt de balts, waarbij het mannetje een visje aanbiedt aan het vrouwtje. De balts gaat meestal samen met veel geroep. Zodra het vrouwtje de vis heeft geaccepteerd en opgegeten volgt de paring.

Parende ijsvogels
Foto Saxifraga – Luuk Vermeer

De broedtijd duurt van maart tot juli. In West-Europa leggen ze de eerste eieren half maart. Een legsel bestaat uit vier tot acht (soms tot tien) witte, ronde eieren. Het paar broedt samen de eieren uit; ze wisselen elkaar iedere twee tot vijf uur af.

Na een broedtijd van 18 tot 21 dagen komen de eieren uit. Zowel het mannetje als het vrouwtje verzorgt de jongen. Zij voeden de kuikens met insecten, visjes en kleine kreeftachtigen. De prooidieren zijn iets groter dan die waarmee de ouders zichzelf voeden. De eerste twee à drie weken wachten de jongen in de nestkamer op de ouders.
De bodem van de kamer raakt hierdoor bedekt met braakballen, visschubben, graten en andere voedselresten. Later wachten de kuikens de ouders op in de gang.

Na 23 tot 27 dagen verlaten de jongen het nest en nemen plaats op een tak, waar ze nog twee tot vier dagen voer van hun ouders krijgen. Vaak is het ouderpaar dan al begonnen aan een tweede legsel, in een andere nestgang. Na deze dagen verjagen de ouders de jongen of verlaten ze uit zichzelf het territorium van de ouders. Ze vormen het volgende jaar zelf een territorium. De ijsvogel bereikt in de natuur gemiddeld een leeftijd van 7 jaar.

Bedreigingen

De belangrijkste natuurlijke vijanden van de ijsvogel zijn rovende zoogdieren als de nerts, de wezel en de bunzing. Deze predatoren bezoeken soms de nestholen om de jongen te eten. De holen zijn echter lastig te bereiken en ijsvogels waardoor ze zelden bejaagd zijn.

Ook roofvogels vangen zelden een ijsvogel, aangezien deze zich meestal snel en laag over water verplaatsen.

De ijsvogel kan slecht tegen koude en een zeer strenge winter decimeert de ijsvogelpopulaties. Meestal sterven de dieren door voedselgebrek doordat ze door het ijs geen vis kunnen vangen. Sommige verongelukken doordat ze bij een duik een harde klap maken op het ijs.

De belangrijkste hedendaagse bedreiging is door de mens veroorzaakte watervervuiling, waardoor prooidieren sterven en het water vertroebelt. Ook het verdwijnen van beken en de ‘normalisering’ van oevers, die we strak trekken en versterken met beton of stenen, leidt tot een lagere biodiversiteit en het verdwijnen van geschikte broedplaatsen.

Bronnen

IJsvogel – Wikipedia

IJsvogel | Vogelbescherming

Foto’s Karel Noy en Saxifraga-Luuk Vermeer

Plaats een reactie