Hazelworm

De hazelworm  (Anguis fragilis) is een pootloze hagedis die je ook in het Beekdal tegen kunt komen.

Hazelworm
Foto: Wikipedia

De hazelworm is een bodembewoner die een verborgen leven leidt tussen de bladeren en takken in de strooisellaag. Hij eet kleine ongewervelden, voornamelijk regenwormen en naaktslakken.
Net als slangen zijn ze bodembewonend en stammen ze af van een groep oude hagedissen. Ze hebben een langwerpig lichaam en bewegen zich voort op de buik.

De hazelworm is doorgaans bruin van kleur en kan een lengte van ongeveer 45 centimeter bereiken. Jongere dieren zijn lichter van kleur en hebben donkere lengtestrepen, oudere exemplaren zijn soms gevlekt. Net als andere soorten uit de familie hazelwormen lijkt de hazelworm oppervlakkig meer op een slang dan op een typische hagedis. Het lichaam draagt geen poten en is langwerpig en cilindrisch van vorm. Door de gewoonte vaak de tong uit te steken wordt de gelijkenis met een slang nog eens versterkt. Belangrijke verschillen tussen een hazelworm en een slang zijn de relatief stijve voortbeweging, de tong die niet sterk gevorkt is, en de beweegbare oogleden van de hazelworm. Net als andere Europese hagedissen is de hazelworm volkomen ongevaarlijk en bovendien erg schuw: bij verstoring vlucht het dier snel weg.

De hazelworm is eierlevendbarend, de jongen komen in een dun vliesje ter wereld maar gaan direct hun eigen weg. De hagedis kan in vergelijking met andere reptielen erg oud worden maar heeft ook veel vijanden. Dieren die op de hazelworm jagen zijn onder andere vogels, zoogdieren en andere reptielen.

Uiterlijke Kenmerken

De hazelworm is ongeveer 35 tot 45 centimeter lang; soms met een lengte van 50 cm. Meer dan de helft tot twee derde van het lichaam bestaat uit de relatief lange staart. De grens tussen het lichaam en de staart is aan de bovenzijde moeilijk te zien maar is aan de onderzijde juist makkelijk te bepalen aan de hand van de positie van de cloacale opening. De staartpunt van de hazelworm is opvallend stomp.

De hazelworm heeft een glanzend lichaam, door de relatief kleine schubben. Vooral de juvenielen glanzen sterk; de volwassen dieren doen enigszins metaal-achtig aan. Onder de schubben zijn kleine beenplaatjes aanwezig die ter bescherming dienen en de hagedis een enigszins stijf voorkomen geven.

Anders dan bij veel hagedissen is de kop nauwelijks te onderscheiden van het lichaam. De ogen zijn relatief klein, maar vallen duidelijk op doordat ze een geelrode tot dieprode kleur hebben; de bek is duidelijk hagedisachtig. De hazelworm gebruikt de tong om geuren op te pikken. Dit zogenaamde tongelen doet denken aan slangen, maar er zijn ook veel hagedissen die op een dergelijke manier de lucht ‘proeven’. De hazelworm heeft in tegenstelling tot slangen geen opening aan de voorzijde van de bek en moet telkens als de tong wordt uitgestoken de bek een stukje openen. De tong is niet zo sterk gevorkt als bij slangen maar heeft een verbreed uiteinde dat voorzien is van een duidelijke inkeping.

De hazelworm heeft relatief grote en lange tanden die echter moeilijk te zien zijn bij een levend exemplaar. Het gebit is gericht op het eten van slakken en wormen. De hazelworm heeft meestal een bruine kleur die vergelijkbaar is met de schil van de hazelnoot; de buikzijde is bij volwassen exemplaren lichter. De bovenzijde is bruin tot grijs met op de rug meestal enkele dunne donkere strepen van de nek tot de staart, meestal duidelijker zichtbaar bij de vrouwtjes, en soms bestaand uit rijen zeer kleine vlekjes. Het belangrijkste verschil tussen mannetjes en vrouwtjes zijn de donkere flankstrepen van de vrouwtjes, die bij mannetjes ontbreken. Daarnaast hebben de mannetjes een bredere en grotere kop. Mannetjes zijn ook variabeler van kleur en kunnen roodbruin, koperbruin of grijs zijn. 

Hazelworm in het Beekdal
Foto: Toine de Leeuw

Habitat

De habitat bestaat uit vochtige, begroeide omgevingen met een strooisellaag waarin het dier kan schuilen en jagen. De hazelworm is voornamelijk te vinden in bossen op open plekken, bosranden, heidegebieden en houtwallen. In meer agrarisch georiënteerde landschappen is de hazelworm te vinden in de overgangen van het landschap en hoekjes van het terrein die niet omgeploegd zijn door landbouwwerktuigen. Een belangrijke voorwaarde is de aanwezigheid van schuilplaatsen, zoals houtstapels of dichte bodem vegetatie. De hazelworm vinden we ook wel in mierenhopen, die in gebruik zijn als schuilplaats.

Vooral de jonge hazelwormen spenderen een groot deel van hun tijd in mierenhopen. Ze hebben niets te vrezen van de mieren door de gepantserde huid en de kleine ogen. Bovendien profiteren ze van de felle bescherming van het nest tegen gezamenlijke vijanden zoals de spitsmuis.

Levenswijze

De hazelworm is een overwegend schemeractieve soort die we maar zelden overdag aantreffen, soms nemen ze een zonnebad maar nooit in de felle zon. De vrouwtjes zonnen vaak in mei om de ontwikkeling van de jongen te versnellen en zijn dan soms in een kluwen met meerdere exemplaren waar te nemen.

Overdag verstopt de hazelworm zich onder stenen, tussen de bladeren of in holle boomstronken. Vaak worden deze door de zon beschenen zodat de schuilplaats relatief warm is.
Na regenval vinden we op warme dagen de hazelworm overdag , omdat zijn favoriete prooien, slakken en wormen, dan massaal tevoorschijn komen.  Op warme dagen verplaatsen ze zich ook wel overdag door het bos.

Soms graaft de hazelworm zich in, ook zijn exemplaren aangetroffen die het lichaam hebben ingegraven terwijl de kop boven de grond uitsteekt.

De hazelworm is geen slang maar een hagedis zonder poten, foto: Rob Felix, Saxifraga

Vanwege het ontbreken van pootjes moet de hazelworm zich op de buik voortbewegen, hierdoor is het dier niet zo snel als de meeste hagedissen die plotseling kunnen wegschieten. Opgewarmde exemplaren kunnen zich snel door het struikgewas bewegen en de hazelworm kan klimmen maar blijft meestal op de bodem.
De enigszins stijve tred komt door de aanwezigheid van kleine beenplaatjes onder de schubben, die voor bepantsering zorgen maar de hagedis in zijn voortbeweging beperken.
De hazelworm kan indien noodzakelijk zwemmen, maar doet dit niet uit eigen beweging. De hazelworm trekt zich aan het eind van de zomer terug in een winterkwartier voor de winterslaap. De winterslaap vindt plaats in wat meer verscholen plekken, zoals holen onder de grond. Ook holen van andere dieren zoals konijnenholen gebruiken ze en composthopen zijn tevens zeer geschikt omdat deze wat warmer zijn door broei. De hazelworm kan we hier in groten getale aantreffen.

Hazelwormen kluwen
Foto: Wikipedia

Voortplanting en ontwikkeling

De voortplantingstijd van de hazelworm begint in de lente, als de dieren zijn ontwaakt uit hun winterslaap. De mannetjes verlaten het winterkwartier rond maart, iets eerder dan de jongen en de vrouwtjes die rond april tevoorschijn komen. De mannetjes kunnen dan agressief tegenover elkaar zijn en proberen concurrenten met de bek te pakken en weg te slingeren. Oudere mannetjes dragen vaak de littekens van dergelijke confrontaties.

In tegenstelling tot de mannetjes zijn de vrouwtjes niet ieder jaar betrokken bij de voortplanting en ze worden dus niet ieder jaar zwanger. Dit heeft onder andere met de weersomstandigheden te maken.

Als een koppeltje elkaar gevonden heeft vindt de paring plaats. Bij de paring ankert het mannetje zich aan het vrouwtje door haar in de kop of nek te bijten en zich tegen haar lichaam te brengen, de paring kan tot tien uur duren Een vrouwtje kan met meerdere mannetjes paren gedurende de voortplantingstijd, maar de bevruchting van haar eitjes gebeurt pas rond juni. Om de ontwikkeling van haar embryo’s te bespoedigen neemt een zwanger vrouwtje vaker een zonnebad.

De hazelworm is ovovivipaar ofwel eierlevendbarend. De eitjes ontwikkelen zich volledig in het lichaam van de moeder en de jongen komen levend ter wereld, meestal rond juli en augustus. De dracht van de hazelworm duurt ongeveer drie maanden. Per worp komen zo’n 3 tot 26 jongen ter wereld, gemiddeld 8. De jongen zijn dan zo’n zeven tot tien centimeter lang. Ze bevinden zich bij de geboorte nog wel in een dun vliesje, maar komen direct uit.

Het duurt ongeveer drie tot vier jaar voor een mannetje volwassen is, bij de vrouwtjes duurt dit iets langer; vier tot vijf jaar. Na ongeveer zes tot acht jaar is de hazelworm uitgegroeid maar blijft gedurende het gehele leven vervellen en wordt steeds iets langer. De hazelworm kan relatief oud worden, de meeste exemplaren bereiken zo’n tien tot twaalf jaar in het wild.

In het voorjaar komen de hazelwormen uit de winterslaap. De mannen eerst, de vrouwen worden in april wakker. Dat is niet omdat bij hazelwormen nou toevallig alle mannen vroege vogels zijn en alle vrouwen graag uitslapen. Net als bij veel andere reptielen hebben mannen in het voorjaar zonnewarmte nodig om hun zaadcellen te laten ontwikkelen. Ze liggen nu dus veel in de zon, maar dat doen ze wel veilig verstopt tussen dichte begroeiing. In de zomer zijn het juist de vrouwen die veel zonnen, dat is dan weer goed voor het groeien van de embryo’s in de eieren.

Voedsel

De hazelworm is carnivoor, vleeseter, en eet voornamelijk kleine ongewervelden. Omdat de hazelworm meestal niet zo snel is, vangt hij ook wat langzamere prooien als (naakt)slakken, regenwormen, spinnen en insecten en de larven. Het grootste deel van het menu bestaat uit weke dieren als regenwormen en naaktslakken. Ook huisjesslakken staan op het menu, deze worden eerst uit hun huisje getrokken.

Het gebit van de hazelworm is aangepast op zachte prooien; de tanden zijn scherp en naar achteren gekromd zodat ze gladde, slijmerige prooien stevig kunnen verankeren. Na het eten van een slijmerige prooi veegt de hagedis zijn bek langs het substraat om van het slijm af te komen.
Uit waarnemingen blijkt dat soms twee hazelwormen dezelfde prooi grijpen waarbij de dieren om hun as draaien, zodat de prooi in tweeën scheurt.

Net als andere hagedissen zijn hazelwormen kannibalistisch; als ze de kans krijgen eten ze kleinere soortgenoten op en ook andere hagedissen eten ze bij uitzondering.

Vijanden en verdediging

Er zijn veel vogels die graag hazelwormen eten, zoals roofvogels als de bosuil, de buizerd, de havik, de ransuil, de sperwer de torenvalk en andere door omnivore en aasetende vogels. Verschillende zoogdieren eten de hazelworm, zoals de huiskat, de vos, verschillende ratten, marters en de das. Ook de egel, een insecteneter, vreet de hazelworm aan indien de kans zich voordoet. Een andere belangrijke vijand is de gladde slang.

Als de hazelworm wordt opgepakt kan het dier de staart afwerpen, wat caudale autonomie wordt genoemd. De afgeworpen staart blijft een tijdje kronkelen en trekt de aandacht van de vijand waardoor de hazelworm kan ontsnappen. De staart laat altijd los bij een speciale zwakkere wervel, waarna de staartspieren samenknijpen om het bloedverlies te beperken. De staart groeit later weer aan maar wordt nooit zo lang als de oorspronkelijke staart.

Als een exemplaar wordt opgepakt, zal het zijn darminhoud over de belager heen laten lopen als afweerreactie. De hazelworm kan van zich af bijten ter verdediging maar de beet is weinig krachtig.

Hazelworm – in het Beekdal
Foto: Toine de Leeuw

Bron:

Wikipedia

Nature Today

Foto’s : Wikipedia, Saxifraga en Toine de Leeuw



Plaats een reactie